
Hopeloos

Gedichten en korte verhalen






En toch blijf ik niet liggen.
En toch graaf ik mezelf niet dieper in.
Mijn plaats is niet op de grond.
Mijn plaats is staand op zoek naar mogelijkheden.
Dus ik sta op en veeg de blubber van mijn benen.
Ik recht mijn rug en hef mijn hoofd op zoek naar het licht.
Want net als ieder ander mens val ik weleens maar net als ieder ander krabbel ik ook weer op.
Ik ben wie ik ben en dat is een goed mens.

Met één gebroken vleugel was het behelpen maar ik vocht.
Er was nog een lichtje, een sprankeling van hoop.
Nu is de andere vleugel gebroken en is er niks wat de moeite is.
Ik voel een donkere leegte en waar eens een sprankelend lichtje was is nu een dikke mist.
Het heeft geen zin meer er is geen nut.
Ik verdrink in de donkerheid die mij omringd en in de kilte die ik voel.
Strompelend door het leven val ik neer bij weer een berg zonder hoop.

In het eerste ochtendlicht zie ik je liggen
Je ligt zo stil met een blosje op je huid
Genietend van mijn uitzicht kijk ik in stilte
Een verlangen bloeit op en ik treed nader
Zachtjes raak ik je huid aan
Ik voel het stevige vlees en de zachte haartjes
Mijn lippen aflikkend pak ik je
Je zoete geur snuif ik op
Ik kan niet anders en wil je
Voorzichtig bewerk ik je huid
Je sap vormt glinsterende druppels
Mijn lippen omsluiten je
Zachtjes zuig ik je sap naar binnen
Als mijn tanden zachtjes in je bijten
Voel ik je sap langs mijn mond lopen
Wat ben je heerlijk en wat geniet ik van je
Dan is daar het eind, sneller dan verwacht
Ik was mijn handen en mond
Vol energie kan ik mijn dag beginnen
Wat kan een perzik toch lekker zijn.
Onschuldig, klein en puur
Stralend als een kleine ster
Genietend van elk moment
Verwonderd over de wereld om hen heen
Open en eerlijk naar iedereen
Het grootste wonder, het grootste geluk
Een voorbeeld voor ons allen
Want zal de wereld er niet een klein beetje beter uit zien
Als we wat meer kind mogen zijn?
