Het sprookjesbos ziet er magisch uit in het sprookjesboek door de laag sprankelende sneeuw. Het is een vredige stille nacht tot een luid gekrijs galmt door het sprookjesbos. Sneeuwwitje schiet omhoog, stoot haar hoofd tegen de prins en een stuk appel vliegt uit haar keel. De spiegels van de boze koningin breken in stukken. En de reus rolt van de bovenwereld langs de bonenstaak naar beneden. Alle sprookjesfiguren haasten zich door de bladzijden heen tot ze in het midden van het boek bij het gekrijs aankomen. Daar ligt een baby. “He ho, he ho, dat hoort niet zo” zeggen de dwergen. Alle sprookjesfiguren staan verbaasd om de baby heen. Voorzichtig snuffelt de grote boze wolf aan de baby. “Niet van hier” zegt hij “de inkt is veel te oud voor het sprookjesbos”. Ook de wijze uil komt tot de conclusie dat de baby verdwaald moet zijn want hij past in geen één sprookje. Er wordt druk gediscussieerd. De goede fee komt met de oplossing. Terwijl de spinnen stevige draden om de baby spinnen maakt zij een magische ster. De draden worden vastgemaakt aan de ster en dan stuurt de goede fee de ster met een toverspreuk op reis. Terwijl de ster met de baby langzaam uit het sprookjesbos verdwijnt zoeken de sprookjesfiguren weer hun bed op in hun eigen hoofdstuk.
En de ster zweeft door de stille nacht naar het oudste boek dat hij kan vinden. Daar landt de baby zachtjes in een kribbe met stro en de ster die houdt de wacht in deze magische nacht.